Noorden (Castilla y León, Rioja & Navarra)

Castilla y León: in deze sterk groeiende wijnregio wordt minstens sinds 2000 jaar aan wijnbouw gedaan. Dit autonome gebied beslaat 4% van de totale Spaanse productie. In de 17de eeuw behoorden de bodegas van en rond Aranda del Duero tot de productiefsten van het land. Tijdens en na de phylloxeraplaag bloeiden de wijnen van do Toro geweldig op omwille van hun zanderige bodem. De druifluis houdt immers niet van zand! Het klimaat is overwegend continentaal. Het verschil tussen zomer- en winterdagtemperaturen kunnen oplopen tot 50°C. In een pechjaar is men er slechts 4 maanden vorstvrij. Atlantische negatieve noordelijke invloeden worden beperkt door de Cordillera Cantabrica. De wijngaarden liggen op de uitgestrekte Meseta (Spaanse hoogvlakte) op een hoogte van 550 à 800m, met kalk-, zand-, alluviale en soms granietbodems. De belangrijkste blauwe druif is de tempranillo, die ter plaatse tinto del país of tinto fino (Ribera) en tinta de toro (Toro) genoemd wordt. Het noorden is het rijk van de blauwe mencía (Bierzo).

In wit is de verdejo typisch. De belangrijkste do’s (denominacion de origen) zijn Ribera del Duero, Toro, Rueda, Cigales en Bierzo.

Rioja: deze bekende streek met belangrijke Romeinse en duidelijke kloosterinvloeden heeft na Cava de hoogste exportcijfers. In de 2de helft van de 19de eeuw was er een innovatieve (Bordelese) invloed op gebied van bewaring van wijn dankzij de uit balling komende Don Camillo Hurtado, die later de naam Marqués de Riscal kreeg. Phylloxera was er pas in 1890, maar de producenten konden snel anticiperen met nieuwe geëntestokken. Rioja was het eerste gebied met do-status in 1925, en in 1991 promoveerde het ook als eerste tot
doca (denominacion de origen calificada), omdat de regio kwalitatief boven de andere bleef uitsteken. Rioja kent een continentaal klimaat, beschermd door de Cordillera Cantabrica (noorden) en de Sierra de la Demanda, waardoor de wijnregio in de Ebrovallei lijkt op een gevallen letter V (<), met opening naar het oosten en er lichte mediterrane invloeden zijn. Het gebied is verdeeld in 3 subregio’s: Rioja Alta, Rioja Alavesa (Baskenland) en Rioja Oriental (vroeger Baja), met hoogteverschillen van 300-700m. 4 blauwe rassen zijn toegelaten: tempranillo, garnacha tinta, mazuelo (carignan) en graciano. Voor wit zijn de viura (=
macabeo, zie cava), malvasia en garnacha blanca de belangrijkste.

Navarra: ook Navarra kent zijn wijnstart bij de Romeinen (2de eeuw vC) en later in de 12de eeuw dankzij de bedevaart naar Santiago de Compostella en de kloosterorden. De regio ligt geprangd tussen de Pyreneeën en de Ebrovallei met in de zomer welkome koele invloeden van de Golf van Biskaje. In het noorden geven lentevorst en hagel soms problemen. Meer landinwaarts wordt het droger en warmer, waardoor er interessante deelgebieden ontstaan. Rood en rosé vormen hier de belangrijkste wijnen met garnacha tinta, tempranillo, graciano, merlot, cabernet sauvignon en mazuelo. De weinige witte wijn komt van viura en chardonnay. Navarra heeft dus geen autochtone druiven.

Castilla y León: recentere nieuwe do’s zijn Arlanza, Tierra de León, Arribes, Tierra del Vino de Zamora. De witte albillodruif krijgt meer aandacht. De do Ribera del Duero is volop aan het lobbyen voor een doca. De do Cigales was in het verleden vooral bekend voor zijn roséwijnen, maar produceert nu ook mooie rode wijnen zoals zijn collega-do’s. De verdejo in Rueda is zeer oxidatiegevoelig.

Rioja besteedt meer aandacht, naast de oude gracianodruif, aan andere “vergeten” druivenrassen, zoals maturana tinta & blanca en tempranillo blanco. De bodems van de 3 subzones : Rioja Alta: kalk met ijzeroxide – Rioja Alavesa: kalk – Rioja Oriental: klei. In Rioja wordt veel macération carbonique toegepast op wijn van de tempranillo.

Navarra: gekend voor roséwijn. Navarra kent 5 subzones, de meeste wijngaarden liggen in Ribera Baja. Navarra ligt tussen de vlaktes van de Ebro en Pamplona, op hoogtes tussen 250 en 560m.